Situatie Meneer Jansen...

Niemand weet hoe laat het is…

In dit blog wordt de casus van meneer Jansen toegelicht. Binnenkort is er de vergadering waarin besproken zal worden of hij mee kan met de vaartocht van het Rode Kruis. Dit is blog 5 uit een serie 6.

Meneer Jansen zit in zijn rolstoel voor het raam en staart naar buiten. Zonder erbij na te denken streelt hij een vaal hondje wat op zijn schoot ligt. Een leven van 67 jaar trekt als een trage film aan hem voorbij. Jeugd, huwelijk, ouderschap, arbeid…Het lijkt zo onbeduidend als je rol bijna uitgespeeld is. Zoals geluiden van buiten het lichaam in de slaap onderdeel kunnen worden van je droom, zo brengt het gesis van zijn zuurstofapparaat hem terug naar de kades in Rotterdam. Daar waar zijn werkzame leven ooit begon in de haven tussen de sissende ketels van de schepen die nog op stoom voeren. Hij zag de schepen veranderen. Steeds meer varend op dieselmotoren. Maar hoe ze ook veranderden, ze bleven altijd dezelfde roep houden.

“Kom met ons mee de wereld in!” Het was er nooit van gekomen. Want ja, de liefde. Daarna de kinderen. Zijn vrouw overleed kort na de geboorte van de tweede aan een vergiftiging en lange jaren stond hij voor de zware taak van opvoeden en voeden. Toen zijn kinderen eenmaal de deur uit waren, was hij al te oud om nog iets avontuurlijks te beginnen, vond hij. En ook zijn diabetes was geen aansporing tot wilde plannen. Hij had zich opgewerkt van aanpikkelateur naar kraanmachinist en uiteindelijk hoofd bevrachting van een middelgrote rederij. Door reorganisatie kreeg hij de kans om vroeg uit te treden en was hij druk geweest met een landelijke vereniging van hobbyisten in de modelbouw van schepen. Altijd maar schepen. Zijn eigen nautische tochten bleven beperkt tot bezoeken aan voor anker liggende schepen met het bootje van de rederij en zo nu en dan een oversteek naar Engeland. De partyschepen liet hij verstek gaan. Sowieso ontliep hij feestjes sinds Madeleine dood was. Geen zin om naar dansende echtparen te kijken. Korte tijd was er nog wel een vriendin geweest in zijn leven. Meer op aandrang van zijn kinderen dan dat hij er zelf behoefte aan voelde. Hij bleef de vrouwen vergelijken met haar…

Vijf jaar geleden begon zijn suikerziekte vervelende vormen aan te nemen. Als verstokt liefhebber van de zakjes tabak van de “Weduwe” was hij niet geneigd ook dàt de schuld te geven van de atheromatose die de opmars versnelde. Wat tot dan toe slechts wat ongemakken als koude vingers waren geweest, maakte ineens een reuzensprong met de verkleuring van zijn onderbenen. Uiteindelijk moesten die geamputeerd worden. Ineens rolstoelafhankelijk. De wereld werd kleiner. Veel verder dan de havens kwam hij niet meer. Een thermoskan met koffie. Een klein flesje “mineraalwater” van Bols en een pakje shag en dwalen langs de kades En steeds ietsje eerder naar huis voor een middagdutje. Wakker worden en bloed en slijm ophoesten. Vaker misselijk. Tot een longfoto een nieuwe streep door een toch al uitgedunde rekening zette. Een vlek die er niet hoorde. Weefselonderzoek. En een week van meer ziekenhuis dan thuis leverde uiteindelijk een onomkeerbaar resultaat op. Een kwaadaardige tumor in de long. Een groot gedeelte van de long werd verwijderd. Ademhalen moest voortaan met regelmatige hulp van extra zuurstof. Het piepte en het kraakte in zijn lijf, maar hé…! Hij is er nog.

Een week geleden is het doek gevallen. De celdeling in zijn lichaam heeft niet stilgezeten. Alle medische details zijn als een herfstwind voorbij gewaaid zonder door te dringen. Het enige wat bleef hangen, was: “Zes maanden. Hooguit een jaar…”

Nu kan het nog één keer. Varen. Zijn kinderen hebben hem meegenomen om eens te praten met de afdeling van het Rode Kruis die gaat over de reizen van de J. Henry Dunant. Nog één keer het water op. Als het even kan naar de Loreley. Mooie laatste tocht voor een zeeman die nooit gevaren heeft. Hij streelt zijn hondje en neuriet zacht: “Ich weiss nicht, was soll ess bedeuten, Dass ich so traurig bin…”